Volgens de Duitse demograaf en genocide-expert Gunnar Heinsohn zijn het niet religie, armoede of etniciteit die bepalen of een land in oorlog raakt, maar het percentage jonge mannen dat in het land leeft. Op woensdag 2 april presenteerde hij zijn controversiele theorie van de 'youth bulge' in LUX. Heinsohn stelt dat er slechts één verklarende factor is voor de voortdurende onrust in landen als Afghanistan, Irak en Kenia; namelijk de jonge zonen die niet in staat zijn om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Deze tweede, derde en vierde zonen in ontwikkelingslanden hebben geen werk en mogen daarom meestal ook niet trouwen. De frustratie die zij hierover voelen, leidt tot migratie, etnische onlusten, burgeroorlogen, staatsgrepen of tot terrorisme.
Farah Karimi, sinds kort directeur van OxfamNovib, was het geheel niet met de heer Heinsohn eens. Volgens haar simplificeert Heinsohn teveel en moet je kijken naar een complex van factoren die verklaren waarom een land in onrust raakt. Wel konden beiden elkaar vinden in een mogelijke aanpak; educatie van vrouwen. Volgens Heinsohn blijkt het opleiden van vrouwen 'één van de sterkste contraceptives ter wereld.' Tot het echter zover is en het geboortecijfer voldoende gedaald is, is er echter niet zoveel dat je kan doen tegen de gevaren van de 'youth bulge'. Heinsohn: 'Do not intervene whilst a youth bulge runs it course'. Het betekent, afgaande op de geboortecijfers, dat de onrust in de islamitische landen ook de komende decennia aan zal houden.
Voor wie meer wil weten over de 'youth bulge', zie het boek van Heinsohn 'Zonen grijpen de wereldmacht.'

