Posted wo 30 nov 2011

Literaturjugend over verhit islam-debat

Tijdens LUX Live#8 over de islam in Nederland deed Hanneke Hendrix van de Literaturjugend verslag in verrassend proza. Lees hieronder haar bevindingen over een dyna-mische en spannende debatavond in LUX.

Nep-reiger
Vanavond was ik huisschrijver tijdens een zeer interessant en verhit (”nou, en vooral ook erg smeuïg,” constateerden we achteraf) debat met Martijn de Koning, Mohammed Ajouaou, Erik Borgman en Hans Jansen tijdens LUX Live. De gemoederen liepen redelijk hoog op, vooral tussen Hans Jansen en de andere drie, met een soms van ontzetting inademend publiek dat sputterend meneer Jansen van repliek probeerde te dienen.
En ik zat daar maar en typte.
Achteraf hoorde ik dat het niet meneer Jansens sterkste debat was geweest, en dat was jammer, want nu had er voornamelijk een boze ouwe meneer aangeschoven gezeten.
Hoe dan ook, ik had de onzalige taak om de avond af te sluiten met een stukje (kijk! Ik zeg “een stukje!”) vrolijk proza.

Nou, dat liet ik me geen twee keer vertellen.

(Overigens: Mijn stem trilde tijdens het voordragen, zo boos was ik op dat moment. Dat mag u er, alleen als u zin heeft, bij denken.)

1.
Ikzelf kom uit een klein gat onder de rook van Venlo en wij hadden alleen maar Rooms Katholieke kinderen op de lagere school. Zelfs Bayanai uit mijn klas had de communie gedaan, dat terwijl zijn ouders van de Filippijnen kwamen en hij en zijn ouders de enige allochtonen in het hele dorp waren. Als pubers voetbalden we vaak op het plein waaraan ik woonde. Aan de andere kant van het plein woonde meneer Bleker met zijn vrouw en meneer Bleker was met pensioen en hield met hart en ziel van zijn tuin. Regelmatig vloog onze bal in de keurig aangeharkte tuin van meneer Bleker, die vervolgens dan met een rood hoofd de voordeur uitgestormd kwam en altijd Bayanai bij de kladden greep, die wij dan weer vervolgens met veel moeite uit de kleine klauwtjes van meneer Bleker moesten redden. Ik moest net aan deze situatie denken. Meneer Bleker wist precies wie Bayanai was, vond hij, hij wist precies hoe ze in elkaar staken, die buitenlanders die ervoor hadden gezorgd dat de plastic nep-reiger naast zijn vijver naar de gallemiezen was.
Soms klinken mensen alsof ze heel erg veel moslims kennen en veel in de wijken waar veel moslims wonen komen, omdat ze zeggen dat ze heel erg veel van moslims afweten, maar toch zien die mensen er gek genoeg wel steeds precies hetzelfde uit als meneer Bleker.
Ieder mens is bang en daar vallen altijd gevaren bij te vinden.
Of het nou om een gazon als een biljartlaken met een plastic reiger langs de vijver gaat of om ons prachtige prachtige Holland.

2.
Ik zal nog maar eens ouwe koe van mezelf uit de sloot halen, want ik ben van menig dat ik elke opvatting van Geert Wilders kan pareren met de volgende anekdote, en dat is de anekdote van die keer dat ik in Venlo carnaval vierde met Geert Wilders. Het was rond 2001, de tijd dat Wilders nog gewoon bij de VVD zat, in de schaduw van Ayaan Hirsi Ali stond en nog geen bewaking had. We stonden achterin De Witte met een groep van een man of tien en zoals dat gaat in Venlo met carnaval werd er stevig gedronken, gerookt en gedanst. Geert Wilders, die destijds een vriend van iemand uit onze groep was en –en dit is niet gelogen- verkleed als admiraal, nam elk rondje aan en grabbelde gretig sigaretjes uit de pakjes die hem voorgehouden werden.
Hier komt nog een heel verhaal tussendoor van mijn broer die verkleed als Fidel Castro steeds probeerde Geert Wilders over te halen om met zijn Che Guevara-vlag te wapperen, maar goed, dat geheel terzijde.
Hoe dan ook: de avond eindigde, en ook dit is niet gelogen, met Geert Wilders die vertrok nèt op het moment dat hij aan de beurt was om een rondje te geven, ons achterlatend met lege glazen, lege sigarettenpakjes en lege beurzen.
Dus als Geert Wilders nu zegt dat er kopvoddentaks moet komen, of dat er een tsunami van Islamisering te verwachten valt of dat Henk en Ingrid voor Mohammed en Fatima moeten betalen, dan roep ik altijd tegen de tv: Ja, meneer Wilders, dat kan allemaal wel wezen, maar jij mag niks zeggen, want jíj betaalt geen rondjes in de kroeg.
Met je Hollandse normen en waarden.
Bah.

3.
“Was het een leuke avond?” vroeg de taxichauffeur, nadat ik mijn logeeradres had gemummeld.
“Geweldig,” zei ik met dubbele tong. Uit mijn tas walmde frietlucht. “Maar ik val nu gewoon echt om. Je kent dat misschien wel, dat je zo’n honger hebt dat je denkt: ik val gewoon godverdomme om.”
Het was even stil.
“We hadden allemaal toneelvoorstellingen,” zei ik.
“Ging het goed?” vroeg de taxichauffeur.
Ik vertelde. De taxichauffeur vertelde. We praatten over toneel. En Linkse Hobby’s. En kunstenaarsuitkeringen. Over Venlo en over Wilders. Ondertussen reden we langs het park en over rotondes.
We reden de verkeerde kant straat waar ik logeerde in.
“O,” hikte ik, “eenrichtingsverkeer.”
“Nou,” zei de taxichauffeur, “ik zie geen Wilders hier om ons te bekeuren.”
We gniffelden.
“O nee, geen Wilders,” riep ik. “Dat is een rondjesbietser!”
“En wij zijn criminelen!” riep de taxichauffeur.
“Help! Een linkse hobbyist en een moslim!” riep ik.
“Bel de politie!” riep de taxichauffeur.
“O nee!”
“Aargh!”
“En ik woon al eenendertig jaar hier!” riep de taxichauffeur.
Gierend van de lach stopten we voor het adres waar ik verbleef.
“Ik ook!” riep ik.
“Wat?” zei de taxichauffeur.
“Ik ben eenendertig,” zei ik.
We schudden elkaar de hand.
“Als we dit nou zo de komende jaren blijven doen, dan komt het misschien nog allemaal wel goed,” zei ik.
“Laten we het hopen,” zei de taxichauffeur en we klopten elkaar op de schouder.
Ik rekende af en stapte uit.